Jurriaan van Eerten

Blog

A Bargain

We have bumped along a mountain road for hours on end, when the Jeep slows down to a stop. Four young men in shirts and jeans stand on the side of the road, next to a mud-smeared pick-up truck. I crane my neck to see what happens, while the Nepali driver turns off the radio and opens his window. Our exhaust pipe rattles with the engine whirring on stationary. The boy with the rifle cannot be older than twenty: he is skinny and his beard-growth does not cover his face completely yet. The men are members of the Maoïst party, a group that enforced a national strike in the country.

Four hundred rupee, one of them says.

The driver looks at him for a moment, and then offers to pay a hundred. The Maoïst says something in Nepali which I do not understand, and then reduces his demand to two hundred and fifty rupees. The price of a cup of coffee back home.

This cannot be true, I think to myself.

Okay, in the last few months I learned that everything is negotiable; the steamed dumplings you buy on the street, from a little entrepreneur who transformed his bike into a shop, or the price of a ride on the sticky leather back-seat of a tuk-tuk. As long as you do not mind your time trickling away during these negotiations, you may consider it as a means to meet people. Often negotiating over a simple piece of clothing turns into a nice chat with a cup of sweet cardamom flavoured tea.

When our eyes meet, the boy with the rifle looks away. He has his jaws clenched; you can see the movement of the muscles underneath the skin. On a leather necklace he wears a rectangular hanger, on which you will most likely see a Hindu god. I have seen them a lot. Slowly the boy turns his head back, and we look at each other.

The driver says he will pay two hundred rupees.

The one at the window agrees with a grumble. I can hear my driver taking the crispy bills out of his wallet, fresh money I just took from a cash machine back in the city to pay for the gas. They all wave with a smile for goodbyes.

As we drive away, dust is sucked in through the open window. I close my eyes for a moment. The dust leaves a dry taste in my mouth. Then I turn around to look; in the rear view window I see them walking back to the side of the road. The boy leans his rifle against the side of the pick-up and lights a cigarette. Our driver turns on the radio again. When I turn back forward, I catch his smile in the rear view mirror.



13 mei 2013, Second place in the Travel Writing Scholarship contest by Rough Guides.



Hoogwerken
in India

In hoog tempo worden de steden van India uitgebreid met moderne appartementencomplexen. Het leven in de voltooide complexen zie je langs de wegen geadverteerd op billboards: een westers bestaan van luxe. Witte appartementengebouwen met verzorgde tuinen, op de benedenverdieping een zwembad of een sportschool. Een jong stel dat lachend in de camera kijkt vanaf de bank, en op de achtergrond zie je vanuit hun raam de glooiende heuvels met hier en daar andere gebouwen. Die advertenties staan echter in schril contrast met de manier waarop er gebouwd wordt.

De arbeiders behoren tot de lage kaste in India, en zijn daarom gedoemd tot een leven van hard werken. Zij wonen op het bouwterrein in geïmproviseerde sloppenwijken van tentzeil en golfplaat. Bij het gebouw zelf wordt er hard gewerkt. De stenen worden in manden op het hoofd gedragen; de steigers zijn gammele bouwwerken van hout die met touw bijeen zijn gebonden. Om deze foto's te maken hebben we ons moeten bewegen op plekken en hoogtes die door de Nederlandse arbodienst nooit goedgekeurd zouden zijn. Het harde bestaan is dan ook aan de arbeiders af te zien: hun kleren zijn raggen en hun lichamen zijn mager voor mensen die dagelijks zo veel sjouwen. Dat kan alleen het gevolg van ondervoeding zijn.

Een aantal keer zien we arbeiders lopen die een opmerkelijk jong gezicht hebben. De opziener verzekert ons echter dat er geen kinderarbeid op zijn terrein plaatsvindt. Vrouwen, kinderen, bejaarden, allemaal zijn ze op het terrein te vinden. Een traditionele rolverdeling is er nog wel: de vrouwen en ouderen lopen beneden rond, waar zij de bakstenen in manden doen en aangeven. Het zijn de mannen die in de gammele steigers klimmen en de hoogte in gaan.

Ook al is het kastensysteem officieel afgeschaft in India, het is nog altijd dagelijkse realiteit. Dat is vooral bij deze bouwprojecten duidelijk te zien. Het hele bestaan van de arbeiders is opgebouwd rondom het terrein. Je ziet jonge kinderen spelen in de modder; er worden spullen verkocht in kleine winkeltjes. Het is uitgegroeid tot een klein dorp. Zodra een gebouw voltooid is, beweegt het kamp door naar een volgend bouwproject. Daar wordt opnieuw het leven opgebouwd in de schaduw van de betonnen karkassen, die uitgroeien tot moderne flatgebouwen.

 

11 februari 2013. Gepubliceerd in India Nu 202 als begeleidende tekst bij een fotoreportage van Marc Heeman.


Vluchtelingenkamp Karen: zes euro entree

Vanaf de hoofdweg staat het al aangegeven: Longneck village. Een geasfalteerde weg, die op sommige plaatsen onder water staat doordat hij de loop van een beekje kruist, leidt tot het vluchtelingenkamp. De inwoners van het kamp zijn Karen, een nomadisch bergvolk dat in de jungle van Myanmar (voormalig Birma) leefde, totdat de junta daar in 1988 de macht overnam en zij onder andere naar Thailand vluchtten. De Karen zijn bekend van de bronzen ringen die de vrouwen om hun nek dragen, waardoor hun schouders omlaag gedrukt worden en hun nek er onnatuurlijk lang uitziet. Ook de jonge vrouwen onder de Karen hebben de ringen nog om.

Om kwart over negen 's ochtends parkeert de eerste minibus toeristen langs de weg. Rondom de poort staan stalletjes met kleren, doeken en gefrituurde snacks. Een Thaise vrouw giet water over de zandweg, om opwaaiend stof te voorkomen, en veegt de tafels van haar theehuis schoon. De mannen bij de poort verkopen voor omgerekend zes euro per persoon entree voor het kamp. Je krijgt een officiële bon, met een stempel van twee wevende Karen. De meeste toeristen hebben voor vijftien tot twintig euro een tour geboekt in een van de naburige steden van het Mae Hong Son district, waar de entree van het dorp al bij inbegrepen is, evenals een bezoek aan grotten, een waterval en warmwaterbronnen verderop in de bergen.

Vanaf de entree kun je stal aan stal tassen en kleden kopen, maar ook Karen poppetjes als sleutelhanger, of een voorzetstuk waarmee het lijkt of je zelf ook zulke ringen om je nek hebt. Een stel Franse toeristen laat zich door de Karen vrouwen er één aanmeten, en gaan samen met de hen op de foto. Het kamp zelf stelt weinig voor: een brug waar een geketende olifant naast staat, twee zandpaden parallel en bovenop de heuvel een kerk. Veel Karen zijn immers bekeerd tot het Christendom.

Hla Htuy, een Karen van begin veertig die in zijn kraam armbanden en kleden verkoopt, vertelt me dat hij al zestien jaar in het dorp woont. Hiervoor zat hij in een ander kamp, een aantal kilometer verderop, dat niet ingericht is voor toerisme. Daar kreeg hij de mogelijkheid om met zijn vriendin hier naartoe te komen, zodat hij geld kon verdienen om een Thaise identiteitskaart te kopen. In principe heeft hij het goed in het kamp. Zijn kinderen mogen naar school. Hij kan zich vrijuit door het Mae Hong Son district bewegen, en hij verdient door de souvenirs aan de toeristen te verkopen. Het probleem is alleen: nu hij hier eenmaal zit kan hij geen identiteitskaart krijgen. Want als de Karen uit het kamp vertrekken, komen de toeristen niet meer om de vrouwen met hun lange nekken te bekijken.

De UNHCR poogt al jaren de Karen naar Nieuw Zeeland, de VS of Finland te krijgen. Zo zijn de ouders van Hla Htuy in de tijd dat ze nog in het andere kamp zaten naar Nieuw Zeeland gekomen. Voor dit kamp zijn de belangen van de Thai echter te groot: de hotels in nabijgelegen Mae Hong Son, de restaurants, allemaal hebben ze baat bij die vluchtelingenkampen in deze provincie die ingericht zijn op toerisme. Vanaf de provinciestad Chiang Mai tot in Mae Hong Song worden er tours naar de Karen georganiseerd, waar dagelijks toeristen goed geld voor betalen. Er is verbetering in Myanmar, aangezien de junta in 2011 is ontbonden en het land zich richting een vrije democratie beweegt. Hla Htuy hoopt dat die ontwikkelingen doorzetten, zodat ook de Karen weer vrij door de regio kunnen reizen.

Zodra de eerste stroom toeristen terug is naar de minibus, om doorgereden te worden naar de volgende bezienswaardigheid, schuift Hla Htuy zijn krukje bij de kraam van de vrouwen met hun lange nekken tegenover hem. Een straathond komt naast hen op zandpad zitten en krabt zich achter zijn oor. Een oudere vrouw doet de doek bij haar nek goed, die daar zit om de huidirritatie van de ringen te verbergen, en weeft verder. Even gebeurt er helemaal niets, totdat de volgende toeristen aan komen lopen.

 

14 april 2013