Coca vernietiging Peru

Hier verdwijnt wel vaker iemand

Gepubliceerd in Het Parool op 7 februari 2015

Pucallpa ligt aan het einde van de weg. De enige manier om verder de jungle in te reizen richting Brazilië, is via de Ucayali, de rivier waar overal langs de bedding dorpen van inheemse stammen liggen. Maar iedereen weet dat het verstandig is om als buitenstaander niet verder dan enkele dagen op de rivier te reizen, aangezien het grensgebied ook wordt gebruikt als doorvoerroute voor cocaïne. Tegen de schemering vertrekken vanaf het plaatselijke vliegveld dan ook dagelijks politiehelikopters voor hun patrouille van de nabijgelegen jungle.

De 31-jarige Lindember Del Aquila Salas is cocochero; hij vernietigt cocaplanten met een cococho, een stang waarmee je de plant bij de stam uit de grond kunt trekken. Hij werkt voor het Proyecto Especial de Control y Reducción de Cultivos Ilegales en Alto Huallaga, kortweg Corah. In teams van zestig tot zeventig man vliegen de cocochero’s naar afgelegen nederzettingen in de jungle waarvan zij weten dat er coca wordt verbouwd. Een stuk of tien zwaar bewapende militairen beschermen hen terwijl zij hun werk doen. Het is een samenwerkingsverband tussen de VS en Peru; Salas krijgt dan ook betaald vanuit de VS.

Op zijn telefoon laat Salas trillerige video-opnames zien van zijn werk in het veld. Grappige momenten waarop iemand in een junglerivier valt, maar ook beelden van de dag dat ze twee van zijn teamleden neergeschoten in de modder vonden.

Teamleden verdwijnen wel vaker, bijvoorbeeld als ze even de jungle inlopen om hun behoefte te doen. Soms stappen ze op een landmijn die tussen de planten is neergelegd, en een paar keer per jaar draait het uit op een rechtstreeks vuurgevecht. De cococheros, die een kogelvrij vest en een helm dragen tijdens hun werk, laten zich in zo’n geval op de grond vallen tot het schieten voorbij is.

“Het werk is gevaarlijk,” vertelt Salas, die met honderden anderen in een kampement van Corah woont, dichtbij de grens. Sinds 2004 zijn er al honderd van zijn collega’s vermoord, maar het salaris van zevenhonderd euro per maand vergoedt veel. “En het is ook belangrijk dat we dit doen,” zegt hij. “In Pucallpa zijn veel jongeren verslaafd geraakt. Omdat de handelsroute hier langs loopt, kost de drug bijna niets, een paar dollar per gram.”

De coca wordt geproduceerd door boeren, voor wie de teelt een goede bron van inkomsten is. De cocabladeren worden in verborgen laboratoria in de jungle of in de sloppenwijken van Lima verwerkt tot cocaïne. In ruil voor bescherming dragen de boeren een deel van hun inkomsten af aan leden van Sendero Luminoso (Lichtend Pad), een terroristische groepering die in de jaren tachtig bekend stond vanwege het extreme geweld waarmee ze hun maoïstische ideologie in Peru aan de man brachten. De meeste leiders van de organisatie zijn inmiddels opgepakt, maar in de jungle bestaan nog altijd fracties van de organisatie. Zij zien het beschermen van de cocaboeren als deel van hun strijd tegen het imperialisme van de Verenigde Staten.

Corah, opgericht in 1982, vecht een eeuwigdurende strijd tegen de cocaproductie. Zeker nu Colombia de cocaboeren aanpakt, is Peru sinds 2012 weer het belangrijkste productieland geworden.

De afgelopen jaren is het aantal cocaplantages gestaag gegroeid; de totale oppervlakte wordt door kenners geschat op een ruime 60.000 hectare, een gebied ter grootte van Texel. Dat het via de moeilijk te controleren jungle goed bereikbare Brazilië door de groeiende economie een grote afnemer is geworden, draagt daar sterk aan bij.

Salas: “Het probleem is dat de boeren, zodra wij vertrokken zijn, gewoon verder gaan met wat ze deden. De coca is voor hen zo veel lucratiever om te verbouwen dan de koffie of cassave die de overheid als alternatief gewas voorstelt. Bovendien heeft de plant amper onderhoud nodig.”

Met een glimlach voegt hij eraan toe dat hij niet bang hoeft te zijn dat zijn baan de komende jaren zal verdwijnen. Tot teleurstelling van zijn moeder, die altijd bang is dat hem iets zal overkomen. “Elke keer als hij vertrekt, ben ik bang dat ik hem nooit meer terugzie.”